| |
Maljasset - Plampinet, 166 km
De volgende ochtend om kwart over zes ben ik bijna de laatste die
opstaat! Na weer een 'eenzaam' ontbijt vertrek ik op de
gebruikelijke tijd, rond half acht, bij een ongebruikelijke
temperatuur, zes graden boven nul (de vorige ochtend was het zelfs
nog twee graden kouder). Met een extra laag kleren freewheel ik
naar het 500 meter lager gelegen Saint Paul. De bergen langs de
route, met de toppen in de zon en de rest in de schaduw, zijn
prachtig. De hellingen richting Col de Vars liggen er met het
scheerlicht fraai en verlaten bij. 't Is vind ik absoluut geen
mooie col - wel steil, gemeen steil als je er ook nog wind tegen
hebt, wat mij in '97 overkwam - maar zo 's ochtends vroeg is het
niet onaardig. De afdaling, in twee delen, is snel, vooral het
laatste, mooiste deel tot Guillestre. Ik laat de (deels
onverharde) weg naar Risoul wederom links liggen. In Guillestre is
het lekker warm. De route naar Briançon is vreselijk; opgelucht
verlaat ik na zo'n 10 km de N94 voor een rustiger weg
aan de westkant van de Durance. Na l'Argentière-la-Bessée wordt die
route ook tamelijk druk. Druk of niet, ik wil de klim naar
Pré Madame Carle eens gedaan hebben, en vandaag is de dag. In Les Vigneaux stal ik
m'n achtertassen in een achtertuin (met medeweten van de bewoners),
en ongeveer twaalf kilo lichter vervolg ik m'n tocht. Zowel de
'mensen van de garderobe' als een Elmeloër met wie ik een eindje
opfiets waarschuwen me voor de zwaarte van de klim. Voor en na
Ailefroide zitten inderdaad een paar steile kilometers.
|

Steile passage op weg naar Pré Madame Carle
|
|
Ik voel me
echter zo licht . . . . Aan het eind van de verharde weg bevinden zich
een restaurant een parkeerplaats met honderden auto's, en dus ook
honderden dagjesmensen; wandelaars, maar volgens mij ook lui die
niks beter weten te doen dan omhoog te rijden en de hele dag te hangen rond hun
opklapbare picknicktafeltje. Ik zit diep in de Écrin;
de omgeving is overweldigend.
|

Gletschertsje langs de route
|
Na de afdaling hang ik de twaalf kilo
er weer aan, kan een tijdje de N94 vermijden, maar moet er dan
toch echt aan geloven. Briançon is een dorp in etages, en ik moet
aan het eind van de middag via een drukke verkeersader (want ik
heb ook geen zin om in Briançon te gaan dwalen) van de laagste naar
de hoogste etage. 't Is warm, 't is stoffig, 't is
VERSCHRIKKELIJK. Ik had hier wel op gerekend, maar waar ik niet op
gerekend heb is op de drukte in het dal van de Clairée, waar na 10 km
m'n eindbestemming Plampinet ligt, en waar ik ook nog even naar
het eindpunt van het dal wil fietsen, zijnde het 15 km verder gelegen Chalets de Laval, iets boven de 2000 meter.
Tijdens het heen-en-weertje Écrins zat
ik tussen de ochtend en de avondspits, maar hier zit ik midden in
de avondspits. GRRRR! ('s Avonds hoor ik dat 15 augustus een nationale
feestdag is, waarop de Fransen vrij zijn. Tsja ...) Als ik bovenkom, vertrekken
net de laatste tientallen dagjesmensen.
Echt supermooi vind ik dit dal trouwens niet.
De gîte-auberge van Plampinet is wel grappig. Ze heeft een beetje
een achenebbisj uiterlijk, en een beheerster uit de jaren '70. De
gasten uit de dortoir eten tezamen, alleen arriveren mijn
kamergenoten een half uur te laat. Wel een druk en gezellig
gezelschap, een dame en twee heren uit Marseille die een
driedaagse randonnée gaan maken. 's Avonds in het donker boek
ik vanuit een telefooncel vast slaapplaatsen voor de komende
(laatste) drie nachten.
De eetzaal doet na het diner dienst als jeugdhonk. Vind ik
niet erg, de muziek is leuker en iets minder hard dan in Saint
Auban (en m'n kamer ligt gelukkig enigszins buiten gehoorsafstand).
|
|
Plampinet - Lanslebourg, 159 km
's Ochtends ontbijt ik op de gang, waar 'mevrouw' m'n ontbijt
heeft klaargezet. De koffie kan ik zelf opwarmen op een
campinggasstelletje. C'est bien á moi.
De Col de l'Échelle vormt de opwarmer voor een stevige klimdag.
De beklimming vanuit het zuiden stelt niet zoveel voor, de
afdaling naar Bardonecchia, langs een steile bergwand is mede met
het schaduwspel door de opkomende zon SCHITTEREND.
|

Noordkant Col de l'Échelle
|
Het vervolg van
Bardonechia tot Susa is vooral snel. Om tien uur heb ik er al zo'n
55 kilometer opzitten. In Susa blijkt het geen probleem om met
Franse francs de cappuccino (+ croissants) te betalen. De zuidelijke
beklimming van de Mont Cénis is vooral lang, maar vandaag ook warm en
irritant druk. Tot driemaal toe mindert een auto vaart, wordt een
raampje naar beneden gedraaid, en menen de inzittenden mij lollige
aanmoedigingen toe te moeten roepen. Stomme Italianen! Met een
korte pauze in de schaduw op een muurtje langs de weg krijg ik
uiteindelijk de stuwdam, en niet veel later het stuwmeer in beeld.
Ik stap alleen af om m'n helm op te zetten, en stort mij direct
omlaag naar Lanslebourg.
|

Afdaling Mont-Cénis met zicht
op weg naar Bonneval
|
Ik stal m'n overtollige bagage bij de
jeugdherberg waar ik ook al in '86, '87, '89 en '94 overnachtte, en
zet mij aan het volgende 'project', de Col de l'Iseran, een oude
zeer bekende ('86, '87, '88, '89, '94 en '96). Het gedeelte
vanaf Bonneval blijft schitterend, maar wederom vraag ik mij
bedroefd af: was het hier tien jaar geleden ook zo druk? Redelijk
uitgeput kom ik boven; aan het eind begonnen de (klim)kilometers
wel te tellen.
Bij de afdaling word ik gehinderd door
automobilisten (die ongetwijfeld het omgekeerde zullen beweren).
Aan het begin van de avond begint het wat bewolkt te worden; de
weersvoorspellingen voor de komende dagen zijn ook niet zo
denderend. Tegen zevenen ben ik weer 'thuis', moe en voldaan.
Ik krijg een kamer met de Arc binnen gehoorsafstand (evenals de
weg er langs).
Ze eten hier gelukkig weer gewoon met z'n allen aan tafel. Ik maak
kennis met een wat oudere, grappige, slechthorende Fransman, die het
niet lukt mij duidelijk te maken wat hij vroeger voor werk deed en
waar hij nu zoal z'n tijd mee vult. Een groot deel van de avond
breng ik door met een Spaans gezin (vader, moeder, dochter van
elf), met praten en kaarten. 't Is heel gezellig; pas om elf
uur zoek ik mijn bed op.
|
|
Lanslebourg - le Bourg d'Oisans, 161 km
In twee uur a 25 km/u rijd ik langs de Arc de bewolking tegemoet.
Tot Modane is de omgeving nog wel aardig, daarna is het - en dat was
het tien jaar geleden ook al - shit! 't Enige voordeel ten opzichte van toen is
dat er nu naast de Route Nationale ook nog een autoroute in het
dal is geperst, waardoor de N6 behoorlijk ontlast wordt.
In Montrichet, dat minder voorstelt dan ik
op grond van de kaart verwacht had, houd ik pauze in een dranklokaal
uit de jaren '40, waar ik bediend word door een oude dame van nog
voor de jaren '40.
Ik stal er twee tassen om de beklimming naar Les Karellis wat te
vergemakkelijken. Het kan elk moment gaan regenen, en ik
besluit om rechtsomkeert te maken als dat gedurende de eerste vijf
kilometers (van de tien of zo) zal gebeuren.
't Stijgt wel aardig naar Les Karellis, 't is vrij rustig, maar 't
is niet gedenkwaardig. De regen wacht nog even. Na een blikje en
een banaantje in dit gemoedelijk aandoende skidorp suis ik weer
omlaag. De koffie was niet slecht, ik neem een tweede bakkie aan
het tafeltje op de stoep. Ik maak m'n tassen regenklaar, en begin
na een vlakke vijf km aan de laatste grote klim. De D80 van
Villargondran naar Albiez-le-Jeune ziet er op de kaart
aantrekkelijk uit, met minstens twintig haarspeldbochten. Dat
aantal kan je gerust met twee vermenigvuldigen; wat een
belazerde afdaling moet het zijn. Om te klimmen is het heerlijk; 't
is niet echt steil, ik schat zo'n 5 a 8 %, het duurt alleen wel
erg lang voordat je weer in de bewoonde wereld komt. Bij Albiez
sta je op de drempel van het hooggebergte. Aan alle kanten zie je
hoge, al dan niet besneeuwde toppen. Een machtige omgeving.
Het meeste klimmen tot de Col du Molard zit er dan op. Er
volgt een afdaling naar het dal van de Arve, waar ik op 1200 meter
hoogte weer min op meer opnieuw kan beginnen, aan de tweede helft
van de Croix-de-Fer. Afgezien van wat spatjes bereik ik St
Sorlin-des-Arves redelijk droog. Ik ervaar de omgeving niet meer
als zo fantastisch als in 1987; St Sorlin begint uit z'n voegen te
groeien. Jammer. Na een flinke pauze in St Sorlin kruip ik de
laatse 8 kilometer omhoog naar de Croix de Fer; vooral de eerste
kilometer is steil. M'n helm zet ik pas op op de Glandon, waar ik
even geniet van het mooie uitzicht.
|

Uitzicht vanaf Col du Glandon naar het noorden
|
|

Afdaling Glandon naar het zuiden
|
De afdaling naar het zuiden
kent voor mij weinig geheimen meer. Dit in tegenstelling tot voor drie
landgenoten, die ik achterop rijd vlak voor de omleiding om de
verzakte bergwand (in 1989), die eindigt met een steile kilometer
omhoog. De drie worden daar compleet door verrast ... er wordt gevloekt
en de kettingen kraken ... ik peddel rustig in de juiste
versnelling bij ze vandaan.
|
|
Daarna komt een steil stuk omlaag van vijf
kilometer, bijna zonder bochten. Vliegen!
Om half zeven meld ik mij bij de mij reeds bekende gezellige gîte, twee km buiten Le Bourg
d'Oisans, met aardige beheerders die in de 70'er jaren zijn blijven steken.
We eten gezellig in de tuin onder de grote linde, die om negen uur een kwartier
dienst doet als paraplu (maar het dan ook niet meer houdt).
Ik maak kennis met een tanig en pezig Fransmannetje van een jaar of zestig
dat mij tot een lidmaatschap van de Club des cent Cols probeert over te
halen. Hijzelf heeft vandaag een onverharde pas van boven de 2300
meter aan zijn lijst toegevoegd.
|
|
le Bourg d'Oisans - Peipin, 161 km
Naar m'n gevoel is de terugtocht begonnen, en dat is geen goed
gevoel. Verder zie ik ook op tegen de Col de Parquetout.
De beklimming van de Col d'Ornon loopt niet lekker.
In Entraigues blijken de twee restaurants niet meer open te zijn (nooit meer!),
dus rijd ik iets om, naar Valbonnais, waar me eenzelfde lot
treft, en ook een fikse bui. Wat een ellende. (Nou ja, alles is relatief natuurlijk.)
Dan weer twee km terug voor de
steilste beklimming van de vakantie. Zeven jaar geleden werd ik er
volkomen door verrast, en nu ben ik er geestelijk meer op
voorbereid, maar wat zijn met name de eerste drie kilometers
verrekte steil; het verse grind helpt ook niet erg.
De 7.5 km kosten me op de kop af een uur. Wat een weg zeg!
Aan de zuidkant is het wat minder bewolkt, maar op de foto die ik
maak van de Obiou zie je de Obiou nauwelijks terug. In Corps krijg
ik onder het koffiedrinken de schrik van de dag als blijkt dat ik de
Tour Féminin op mijn pad zal treffen. Het alternatief – de hoofdweg
via Gap – is niet echt een optie. Ongerust spoed ik
mij naar de Col du Festre – haastige spoed is zonde – in de veronderstelling dat
ik ze net voor kan zijn. De karavaan bij deze Tour blijkt echter
nog geen 10% te zijn van die van de mannentour. In Veynes, waar ik
me met een fles sinaasappelsap, een stokbrood en kaas op de stoep
heb geïnstalleerd, sluiten ze de weg pas twintig minuten voor de
verwachte doorkomsttijd geheel af. De dames hebben er echter
weinig vaart in vandaag. Als ze er twintig minuten na het
verwachte tijdstip nog niet zijn, stap ik maar weer eens op voor
de laatste zestig kilometer. 't Begin is bekend en leuk - het
laatste gedeelte saai, en door de harde zuidenwind ook zwaar.
Rond zeven uur draai ik de deel op van de gîte van Peipin, een
gunstige uitvalsbasis voor de laatste etappe, en bekend van de
aardige beheerders en de voortreffelijke maaltijden. Vis met
aïolisaus vormt vandaag het hoofdgerecht. Het tafelgesprek met twee Zwitsers
en een licht zwakbegaafde jongeman uit Grenoble is levendig.
|
|
Peipin - Suze-la-Rousse, 163 km
Voor het eerst sinds Maljasset weer eens strakblauwe hemel bij vertrek.
Joepie! De laatste etappe is ongeveer gelijk de eerste etappe in tegengestelde
richting, maar dan met de Mont-Ventoux.
Een lange zeer geleidelijke aanloop langs de Jabron,
een minder saaie weg dan zoals ik hem mij herinnerde, naar
de Col du Négron. De laatste drie kilometer is het wel flink
aanpoten. In Revest-du-Bion de laatste koffiepauze in café "Bar des
Alpes". Dan wacht me toch nog een grote klim, naar de Mont-Ventoux,
hoewel dat vanuit Sault niet zo'n zware is. 't Is warm, maar 't
gaat tot Chalêt Reynard erg gemakkelijk. Ik word wel een paar keer
gepasseerd door hardrijders alsof ik stilsta. Op mijn beurt
passeer ik een gezin op de fiets met kinderen in rugdrager en
fietskar. De wind valt mee vandaag, maar vanaf Chalêt Reynard moet
er flink gewerkt worden. Ik profiteer bovenop even van het
uitzicht, maak een praatje met een Amerikaan, en stort mij omlaag
naar Malaucène. Onderweg breng ik m'n topsnelheid
van 2001 op 72 km/u. In Malaucène verblijf ik bijna twee uur,
voor een flinke coupe ijs, gevolgd door inkopen (boeken en souvenirs).
Het eerste stukje naar Vaison-la-Romaine gaat nog licht bergaf, en
ik krijg er weer zin in, maar niet in de drukte. Ik verzin nog wat
rustige lusjes door de wijnheuvels, kom zelfs nog een colbordje
tegen (Col le Debat, 251 m), voordat ik het in Saint-Cécile, 7 km
van het eindpunt voor gezien houd. Helaas geen leuke jeu-de-boules
pleintjes daar. In Suze-la-Rousse tref ik twee busgenoten, met wie
ik gezellig de avond doorbreng op het dorpsplein waar de bus
ons zal oppikken. Uiteindelijk blijken we trouwens niet met
dezelfde bus naar Nederland te reizen. Om een uur of tien voegt
sportieve Gee uit Antwerpen zich nog bij ons. Het wachten op de
bus, die krek op tijd (00:30 uur) arriveert, duurt zo niet lang.
|
|
|
Totaalafstand van deze twaalfdaagse: 1969 kilometer (164 km/dag)
|
.
|