Tour des Alpes 2001,   7/8/2001 – 18/8/2001

Op maandag 6 augustus m'n tiende fietsbusreis in twaalf jaar, met voor de vijfde keer in acht jaar bestemming Suze-la-Rousse (voorheen Bollène). We vertrekken met regen uit Utrecht, en in België is het REGEN, REGEN, REGEN, maar .....



Suze-la-Rousse - Peipin, 158 km



Uitzicht op Mont-Ventoux vanaf de D72

Dinsdagochtend om half zeven begroeten ons in Suze-la-Rousse een heldere lucht en een voor het moment van de dag niet onaangename temperatuur. De Mont-Ventoux doemt gelijk op; de zon bevindt zich nog achter de bergen in het oosten. In Vaison-la-Romaine m'n eerste grand café. De Mont-Ventoux laat ik rechts liggen, die kom ik wellicht aan het eind nog wel tegen. De vergezichten erop vanaf de D72 zijn mooi. In Montbrun-les-Bains een tweede pauze. Ik schat het op het midden van de dag op 30 graden. Vanaf Montbrun de tweede klim, naar de Col de l'Homme Mort, en na een korte afkoeling in Revest-de-Bion klim ik weer naar het noorden via de Col du Négron, hoewel, klim, 't stelt vanaf het zuiden niet veel voor. De hitte is meer een probleem dan de helling (m'n Hoegaardenpet komt goed van pas). De korte afdaling naar het noorden is wel heftig. Met een lekker windje in de rug volg ik het dal van de Jabron stroomafwaarts tot de N85 - dat gaat snel! - waar ik linksaf sla, hoewel de eindbestemming van de eerste etappe, Peipin, rechtsaf is. De platanen en de chicades doen wel zuidelijk aan, maar 't is verder een rotweg, gelukkig kort. Om vier uur zit ik al op een terras in Sisteron aan een biertje, fietsschoenen verwisseld voor sandalen. De gîte d'etape van Peipin is eenvoudig; de andere gasten, allen Fransen, zijn wel gezellig. M'n kamergenoten, twee seizoensarbeiders heb ik alleen slapend gezien. (Zij mij ook; ze vertrokken ochtends al voor zessen.)




      Rondrit vanuit Peipin, 179 km


Onweer op komst

De volgende ochtend is het bewolkter dan ik op grond van de weersvoorspelling verwachtte. De N85 is tussen half acht en acht nog niet zo druk, maar met plezier sla ik kort na de tunnel bij Sisteron rechtsaf. Een lange lange klim om uit het dal van de Durance te komen, met mooie uitzichten op en over Sisteron met zijn citadel. Naarmate ik hoogte win, komt in de verte ook de Montagne de la Lure in het beeld. Volgens de kaart wordt het een etappe met veel stille kronkelige weggetjes, en veel 'clues', zeer smalle, doorgaans vrij korte kloven. Donkere wolken pakken zich samen, het onweer komt van ver, maar 't komt, en 't haalt mij juist bij Authon in. Daar schuil ik anderhalf uur in een gîte. Het spettert nog wel wat als ik de laatste, niet al te zware kilometers naar de Col de Fontbelle afleg, gevolgd door de Col d'Hysole (volgens een bord langs de weg). Niet ver daarna gaat het mis: in een scherpe, plotseling zeer steile haarspeldbocht smak ik tegen het natte (dus gladde) asfalt. Gelukkig had ik weinig vaart, dus ik lig gelijk stil, maar pijn doet het wel, aan een hand, een knie en een schouder. Ikzelf heb flinke schaafwonden, de schade aan m'n fiets is beperkt tot een verdraaid stuur. Het is nog wel een heel eind tot de dichtstbijzijnde apotheek. Die bevindt zich in Digne, maar eer ik daar aankom zijn de winkels gesloten. Dus na wat lekkers van bij de bakker stap ik weer op, want ik heb nog veel kilometers voor de boeg. Weer kom ik snel op een rustig weggetje, de 900A langs de Bès. Eerst een beetje saai, maar als het hoger en smaller wordt erg mooi. Een beetje eng vind ik het ook wel, als ik al die stenen en keien op de weg zie liggen. Als het regent komt er natuurlijk van alles los 'daarboven'. Een val van vijftig meter van zo'n steen lijkt me ruim voldoende om een mensenschedel te verbrijzelen, en de rotsen langs de diverse Clues de Barles zijn aanzienlijk hoger dan vijftig meter!



            Clues de Barles

Het laatste stukje tot de Col du Fanget staat aangekondigd als route étroite et sineuse. De aanduiding raide (= steil!) had niet misstaan, maar 't is niet lang. In Selonnet tank ik nog even bij voor de laatste 60 km. 't Is al over drieën, dus enige haast is geboden. Onderweg naar de Col de Garcinets trek ik nog even m'n regenpak aan, maar vanaf de pas wordt het langzaam beter en beter en beter, en bovendien is het de laatste 30 kilometer tot Sisteron voortdurend licht bergaf. Dat is genieten! In Sisteron kan ik dan eindelijk inkopen doen bij een pharmacie. In Peipin, staat pieds à paquets op het menu. Ik griezel nu nog als ik eraan terugdenk, en met mij een aardige Française, van wie de echtgenoot er juist van BLEEF opscheppen. Pieds à paquets = (schape)voetjes in een pakketje (van darmen?); het ruikt en smaakt in ieder geval heel weeïg. Ik deel de kamer nu ook met een wat verwilderd gezin met drie kleine kinderen, dat pas om half tien binnen komt zeilen (weliswaar met reservering).



Peipin - Saint-Auban, 165 km

Een beetje een saaie etappe. Het leukst zijn de klim naar de Col de Corobin, en het gedeelte na Saint-André-les-Alpes. Langs de zuidkant van de rivier de Bléone, waar het meeste verkeer bestaat uit hardlopers, rijd ik deze druilerige vroege ochtend naar Digne. Vijf kilometer verderop, bij de Thermes - een soort vakantiedorp - vind ik met moeite een kop koffie. De weg naar de Col de Corobin is vrij rustig en redelijk steil - ik heb voor het eerst het kleinste voorblad nodig. De afdaling brengt me weer naar de Route Napoleon, die ik 7 km volg tot Barrèmes. Daar word ik gespot door een Franse solofietser, die al maanden onderweg is, en die enthousiast een praatje komt maken. Vanaf Barrèmes maak ik ook weer een flinke omweg naar St. André-les-Alpes, om de Col du Défend aan m'n lijst toe te voegen. De omgeving rond die col is erg open, en geeft je de indruk dat je hoger zit dan feitelijk het geval is. 't Is een beetje saai weer, en net als ik op een overdekt terras in mijn naamplaats zit, trekt een buitje over; het laatste buitje voor zes dagen, zal blijken. 't Zit wel goed met de geschaafde knieën, maar het lijkt alsof ik gister een rib gekneusd heb; diep ademhalen doet een beetje pijn. Vanuit St. André kiest deze André het langste alternatief, via Castellane. Nooit eerder deed ik dat toeristische stadje aan; vandaag houd ik er een korte drink- en eetpauze op zo'n typisch jeu-de-boules plein. Gezellig! Deze omweg confronteert me wel met een flink te overbruggen hoogteverschil, van ongeveer 700 tot 1350 meter. Ik doe het - figuurlijk - in de laagste versnelling. De terugblikken op het Lac de Chaudanne zijn goed voor de moraal. Rond zeven uur arriveer ik in de gezellige activiteiten-gîte (o.a. met paarden) van Saint-Auban. Toen ik uit Nederland belde, meldden ze me dat-ie vol was, maar toen ik zei dat ik alleen was bleek er wel wat te regelen. Ik kom tussen een grote groep middelbare schooljeugd uit Parijs terecht, en voel me tamelijk bekeken. Het eten is goed, en aan tafel ontstaat er ook wel een beetje contact tussen mij en zes meiden. 't Wordt wel een onrustige nacht.




Rondrit vanuit Saint-Auban, 164 km
's Ochtends om half zeven is het na de herrie van de vorige avond ERG rustig. De komende avond zal overigens nog meer herrie geven. Maar voor het zover is eerst een van de mooiste etappes van de hele tocht. Een lange schaduw volgt mij als ik oostwaarts trek naar de voet van de eerste col, die behalve een beetje steil vooral erg stil is. De blik naar het zuiden, waar de bergen al niet meer zo hoog zijn, is prachtig. De afdaling rechttoe rechtaan en dus snel; ik ben na eergister wel extra voorzichtig. De D2209 lijkt op de kaart een doorgaande route, maar is op dit vroege uur nog erg rustig. Via de Col Bas kom ik op de Route Napoleon, die ik ongeveer 25 km volg, tot Saint Vallier, en wat een indrukwekkend mooie kilometers zijn dat!


            Terugblik Pas de la Faye

In Saint Vallier bevindt zich gelukkig een bank met pin-mogelijkheden, want anders had ik door moeten fietsen naar Grasse. In de warmte stijg ik vanuit Saint Vallier zo'n 300 meter tot de Col de Ferrier, waarna de weg een beetje op en neer blijft gaan, en er onder andere een prachtig uitzicht is op de laatste kilometers van de N85 tot de Pas de la Faye van een uur eerder. Via de beetje saaie D12 over een hoogvlakte kom ik zowaar weer een colbordje tegen (met "Col de l'Ècre") gevolgd door een wonderschone afdaling - met helder weer kun je vermoed ik de Middellandse Zee zien - naar het eveneens wonderschoon gelegen Gourdon (waar zich ook erg veel toeristen bevinden; gauw door dus maar). De Gorges du Loup vallen tegen: je ziet er niet veel van, want je zit meer erboven dan erin. Wel verlies ik veel meer hoogte dan ik op grond van de informatie van Michelin had verwacht. Het te overbruggen hoogteverschil tot Gréolières les Neiges (wat een prachtige naam!) is 1000 meter, en dat op het heetst van een warme dag! De weg tot en een stuk voorbij het lager gelegen Gréolières is erg mooi, het laatste deel van de beklimming, een lang recht stuk langs een bergrug, een beetje minder. En van het skidorp daarboven is alleen de naam mooi.


                            Even na Gréolières


                    Zicht van boven op Clue d'Aiglun

Op de terugweg mis ik niet het uitkijkpunt met een magistrale blik op en over de Clue d'Aiglun. Daarna is het uitbollen (en even de 70 km/u halen) tot de voet van de laatste klim van de dag, naar de Col de Bleine (wat ook de eerste was). Van de twee alternatieven via Thorenc (volgens de kaart) blijkt er slechts een practiquable, en die kent een gemeen steile kilometer (minstens 13 procent). 't Is geen wonder dat ik dat smalle weggetje 's ochtends tijdens het afdalen over het hoofd heb gezien.

Aan de noordkant verrassend veel sportievelingen die op dit late middaguur omhoogploeteren. Redelijk op tijd, na toch een etappe van ruim 160 km arriveer ik weer bij de gîte. Na een leesuurtje schuif ik deze keer aan bij een jongenstafel. Het blijkt een goede zet om te vragen of ze Engels spreken; dat kunnen ze niet of nauwelijks - in ieder geval veel minder dan ik het Frans beheers - maar zo ontstaat er wel enig contact. De denderende housemuziek van een verdieping lager maakt de rest van de avond conversatie bijna onmogelijk, en ik wijd mij aan m'n dagboek. Ondanks de herrie val ik toch gemakkelijk in slaap.




            Terug naar Col de Bleine


    Saint-Auban - Saint Sauveur-sur-Tinée,   187 km
Voor deze etappe zijn er diverse alternatieven, waarvan er eentje afgevallen is na raadpleging van een van de broers-beheerders van de gîte (reden: te slecht wegdek). Een heerlijke ochtend, eerst door de Clue de Saint-Auban, vervolgens geleidelijk omlaag tot de Pont des Miolans, van waaraf ik zo'n 10 km opfiets met een in Tahiti woonachtige Fransman, tot La Rochette. Daar had ik gehoopt verse koffie te kunnen krijgen. Er is een bar, maar de dame slaapt nog (en de bejaarde echtgenoot die me dat vertelt kan(/wil?) me niet helpen). La Rochette is een gehucht in etages tegen de helling gebouwd; volgens m'n fietsmaatje wonen er alleen bejaarden. Ik verdwaal er zowaar even (ik kan m'n fiets niet terugvinden!). Geen koffie, laat staan gebak, dus ik breek m'n noodrantsoen aan. Daarna heerlijke, rustige, kronkelige kilometers tot voorbij de Col de Trébuchet, waarna ik de lange route kies, via de Col de Laval, tot Annot. Het rustige gedeelte valt een beetje tegen, zeker de afdaling, het laatste stukje tot Annot, nota bene over een Route Nationale, is wel weer erg fraai. In Annot weet ik zeker dat ik koffie (en lekkers) zal kunnen krijgen. Al te lang pauzeren is er niet bij, want de langste route naar Saint Sauveur telt nog zo'n 115 km. Via de prachtige D2202, door de rode Gorges de Daluis, met een briesje in de rug, win ik gemakkelijk de eerste 300 meters hoogte. Na een korte afkoeling bij een pomp begint het echte klimmen naar Valberg. De weg via Péone lijkt iets gemakkelijker, en tot dat dorp gaat het ook nog wel, ondanks de brandende zon in m'n nek, maar daarna wordt het een half uurtje afzien. Valberg is stikdruk, in Beuil, 5 km verder, tank ik even bij en moet ik een beslissing nemen over het slot van de etappe. 't Is ofwel 25 km, met de fraaie afdaling van de Col de la Couillole (hoewel die 's ochtends op z'n mooist is), ofwel 66 km, met als kadootje de afdaling door de Gorges van de Cians. Het loopt tegen vijven, maar ik kies toch voor het laatste. De weg langs de Cians heeft iets van z'n charme verloren door de vele tunnels die er de laatste tien jaar zijn bijgekomen (om Valberg en Beuil in de winter goed bereikbaar te houden), maar blijft een flitsend gebeuren. De eerste 22 km zitten snel in de knip. De volgende 19 km, langs de Var, heb ik helaas de wind recht in m'n snuit, en bovendien is het op dat uur erg druk. Getver! Als ik bij de Tinée linksaf sla lijkt het er even op dat ik naar het noorden weer de wind tegen heb, en met de licht oplopende weg zou dat niet best zijn, maar na een paar kilometer komen m'n hoop en verwachting alsnog uit, en helpt de wind me omhoog naar Saint-Sauveur. Krek half acht bereik ik de eindbestemming. De gîte in Saint-Sauveur, een splinternieuwe, bij de camping, is de enige zonder maaltijden die ik heb uitgekozen. Ik doe snel nog wat boodschappen voordat ik op een terrasje een salade niçoise en een escalope de veau verorber. Om negen uur, het is dan al donker, fiets ik 'huiswaarts', en klets nog wat met een moeder + dochter uit de Haute-Savoie.




Rondrit vanuit Saint-Sauveur, 160 km
Vandaag m'n derde en laatste rondje zonder bagage. Ik vertrek eens niet als eerste. Een vader + moeder + zoon uit Bretagne rijden vandaag via Nice het lange eind naar het noordwesten - ik moet er niet aan denken! -, na mij van koffie voorzien te hebben. Ik volg twintig kilometer het beschaduwde dal van de Tinée, en neem met plezier de weg omhoog naar La Tour. Er is nog geen verkeer, zeker niet op het smalle weggetje van La Tour naar Utelle, dat alleen niet zo vlak blijkt als ik gedacht had (Michelin vermeldt geen steile passages), en bovendien ook niet over het hele traject verhard. Op dat onverharde stuk kom ik zowaar twee wat oudere Franse fietsers tegen, waarvan de een me haarfijn weet te vertellen wat me tot Utelle te wachten staat: het asfalt is verder goed, maar er moet flink geklommen worden. De ander fietst met me op tot Utelle, door een prachtige omgeving, over enkele inderdaad zeer, zéér steile passages. In Utelle neem ik even pauze, als zwerver in een 4-sterrenrestaurant, voor ik verder omhoogrijd naar Madone d'Utelle.

                  Blik omhoog naar Madone d'Utelle


                              Utelle

Een aangename klim, zo'n 6 km á 6 %, met prachtige vergezichten, niet alleen vanaf de oriëntatietafel bovenop. Geweldig! Vanaf de top is het, via Utelle zo'n 900 meter afdalen tot het hinderlijk drukke dal van de Vésubie. Ik ben blij als ik dat na zo'n 9 km weer kan verlaten, via de weg die ik al een tijdje vanaf de D2565 omhoog zag lopen. Wederom een heerlijk rustig weggetje, wel lang klimmen naar de Col de St.Roch, zeker omdat er ook nog een afdaling van 2 km in zit. Vervolgens vier steile kilometers door een zuidelijk aandoende omgeving, en als ik in Peïra Cava neerplof voor een plat du jour (met konijn) heb ik de Col de Turini welhaast in de knip. De afdaling van deze col is nog mooier dan ik hem mij herinner. Geweldig hoe ze die weg hebben aangelegd, ook prettig afdalen omdat er weinig echt scherpe haarspeldbochten in zitten. Ik kom weer langs de Vésubie, en weer vind ik het maar niks, al die auto's. Maar ja, ik moet toch die 1000 meter omhoog om via de Col de Saint Martin terug te komen in het dal van de Tinée. Een afknapper is dat, na wat eraan voorafging. De afdaling, 1000 meter omlaag is niet fraai, er zijn veel dorpen, maar wel snel. Alleen de laatste vijf km zijn mede door de inmiddels avondlijke kleuren wel weer aardig. In de gîte gebruik in m'n eentje m'n enige zelfbereide maaltijd. Daar zit ik dan met m'n grote fles wijn!


Te gekke afdaling van Col de Turini



Saint-Sauveur - Maljasset-Maurin,   146 km
De dag van de Bonette. Vertrekpunt Saint Sauveur, 475 meter, koffiepauze in Saint Etienne, op 1150 meter (halverwege besefte ik - te laat - dat ik twee zware tassen aan de dames uit de Haute Savoie had mee kunnen geven). Desalniettemin een hele mooie ochtend. Met een pauze net boven de 2000 meter breng ik het in een langzaam tempo - de laatste 5 km zijn echt zwaar - tot het hoogste punt van de tocht, op 2802 meter. De klim was zwaar en mooi, de afdaling is lichter en mooier. Maar .... waren er tien jaar geleden ook zo veel dagjesmensen?



Bovenop de Bonette

Beneden in Jausiers betreed ik een ijssalon voor een heerlijke coupe, en ook om m'n bagage twee uur te stallen, net genoeg tijd voor een heen-en-weertje Pra Loup, juste pour le sport.



Onderweg naar Pra Loup

De streef-aankomsttijd voor de gîte in Maljasset, half zeven zit er niet in, zeker niet na wat oponthoud in Saint Paul-sur-Ubaye, vanwaaruit ik voor de zekerheid maar even 'omhoog' bel. Met hangen en wurgen bereik ik om precies zeven uur m'n hoogstgelegen overnachtingsplaats ooit, op 1910 meter. Ik kan gelijk aanschuiven aan tafel, aan m'n eigen tafeltje, want het is een gîte-auberge, en daar hoort blijkbaar een serveerster bij, een serveerster die een uur aan het slalommen is tussen alle tafeltjes door. Wat een vertoning! De beheerder zelf heeft trouwens wel iets van John Cleese als Mr Fawlty, zowel door de manier waarop hij de zaak in de gaten houdt, als ook hoe hij precies op tijd bukt als hij achteruit door de lage deuropening de keuken in verdwijnt. Pas na het eten blijkt het mogelijk wat contact met anderen te hebben, en dan pas wordt het voor mij een beetje gezellig. Twee niet zo sportieve wandelaars (ik zit daar tussen allemáál wandelaars), die veel moeite hebben met de ontbijttijden (tot uiterlijk half acht kan je hier aanschuiven) helpen me aan een adres voor de volgende nacht. 't Moet echter gezegd, 't is wel een sfeervolle locatie.




Maljasset - Plampinet,   166 km
De volgende ochtend om kwart over zes ben ik bijna de laatste die opstaat! Na weer een 'eenzaam' ontbijt vertrek ik op de gebruikelijke tijd, rond half acht, bij een ongebruikelijke temperatuur, zes graden boven nul (de vorige ochtend was het zelfs nog twee graden kouder). Met een extra laag kleren freewheel ik naar het 500 meter lager gelegen Saint Paul. De bergen langs de route, met de toppen in de zon en de rest in de schaduw, zijn prachtig. De hellingen richting Col de Vars liggen er met het scheerlicht fraai en verlaten bij. 't Is vind ik absoluut geen mooie col - wel steil, gemeen steil als je er ook nog wind tegen hebt, wat mij in '97 overkwam - maar zo 's ochtends vroeg is het niet onaardig. De afdaling, in twee delen, is snel, vooral het laatste, mooiste deel tot Guillestre. Ik laat de (deels onverharde) weg naar Risoul wederom links liggen. In Guillestre is het lekker warm. De route naar Briançon is vreselijk; opgelucht verlaat ik na zo'n 10 km de N94 voor een rustiger weg aan de westkant van de Durance. Na l'Argentière-la-Bessée wordt die route ook tamelijk druk. Druk of niet, ik wil de klim naar Pré Madame Carle eens gedaan hebben, en vandaag is de dag. In Les Vigneaux stal ik m'n achtertassen in een achtertuin (met medeweten van de bewoners), en ongeveer twaalf kilo lichter vervolg ik m'n tocht. Zowel de 'mensen van de garderobe' als een Elmeloër met wie ik een eindje opfiets waarschuwen me voor de zwaarte van de klim. Voor en na Ailefroide zitten inderdaad een paar steile kilometers.



Steile passage op weg naar Pré Madame Carle



Ik voel me echter zo licht . . . .   Aan het eind van de verharde weg bevinden zich een restaurant een parkeerplaats met honderden auto's, en dus ook honderden dagjesmensen; wandelaars, maar volgens mij ook lui die niks beter weten te doen dan omhoog te rijden en de hele dag te hangen rond hun opklapbare picknicktafeltje. Ik zit diep in de Écrin; de omgeving is overweldigend.



Gletschertsje langs de route


Na de afdaling hang ik de twaalf kilo er weer aan, kan een tijdje de N94 vermijden, maar moet er dan toch echt aan geloven. Briançon is een dorp in etages, en ik moet aan het eind van de middag via een drukke verkeersader (want ik heb ook geen zin om in Briançon te gaan dwalen) van de laagste naar de hoogste etage. 't Is warm, 't is stoffig, 't is VERSCHRIKKELIJK. Ik had hier wel op gerekend, maar waar ik niet op gerekend heb is op de drukte in het dal van de Clairée, waar na 10 km m'n eindbestemming Plampinet ligt, en waar ik ook nog even naar het eindpunt van het dal wil fietsen, zijnde het 15 km verder gelegen Chalets de Laval, iets boven de 2000 meter. Tijdens het heen-en-weertje Écrins zat ik tussen de ochtend en de avondspits, maar hier zit ik midden in de avondspits. GRRRR! ('s Avonds hoor ik dat 15 augustus een nationale feestdag is, waarop de Fransen vrij zijn. Tsja ...)   Als ik bovenkom, vertrekken net de laatste tientallen dagjesmensen. Echt supermooi vind ik dit dal trouwens niet. De gîte-auberge van Plampinet is wel grappig. Ze heeft een beetje een achenebbisj uiterlijk, en een beheerster uit de jaren '70. De gasten uit de dortoir eten tezamen, alleen arriveren mijn kamergenoten een half uur te laat. Wel een druk en gezellig gezelschap, een dame en twee heren uit Marseille die een driedaagse randonnée gaan maken. 's Avonds in het donker boek ik vanuit een telefooncel vast slaapplaatsen voor de komende (laatste) drie nachten. De eetzaal doet na het diner dienst als jeugdhonk. Vind ik niet erg, de muziek is leuker en iets minder hard dan in Saint Auban (en m'n kamer ligt gelukkig enigszins buiten gehoorsafstand).



    Plampinet - Lanslebourg,   159 km

's Ochtends ontbijt ik op de gang, waar 'mevrouw' m'n ontbijt heeft klaargezet. De koffie kan ik zelf opwarmen op een campinggasstelletje. C'est bien á moi. De Col de l'Échelle vormt de opwarmer voor een stevige klimdag. De beklimming vanuit het zuiden stelt niet zoveel voor, de afdaling naar Bardonecchia, langs een steile bergwand is mede met het schaduwspel door de opkomende zon SCHITTEREND.



Noordkant Col de l'Échelle


Het vervolg van Bardonechia tot Susa is vooral snel. Om tien uur heb ik er al zo'n 55 kilometer opzitten. In Susa blijkt het geen probleem om met Franse francs de cappuccino (+ croissants) te betalen. De zuidelijke beklimming van de Mont Cénis is vooral lang, maar vandaag ook warm en irritant druk. Tot driemaal toe mindert een auto vaart, wordt een raampje naar beneden gedraaid, en menen de inzittenden mij lollige aanmoedigingen toe te moeten roepen. Stomme Italianen! Met een korte pauze in de schaduw op een muurtje langs de weg krijg ik uiteindelijk de stuwdam, en niet veel later het stuwmeer in beeld. Ik stap alleen af om m'n helm op te zetten, en stort mij direct omlaag naar Lanslebourg.



Afdaling Mont-Cénis met zicht op weg naar Bonneval

Ik stal m'n overtollige bagage bij de jeugdherberg waar ik ook al in '86, '87, '89 en '94 overnachtte, en zet mij aan het volgende 'project', de Col de l'Iseran, een oude zeer bekende ('86, '87, '88, '89, '94 en '96). Het gedeelte vanaf Bonneval blijft schitterend, maar wederom vraag ik mij bedroefd af: was het hier tien jaar geleden ook zo druk? Redelijk uitgeput kom ik boven; aan het eind begonnen de (klim)kilometers wel te tellen. Bij de afdaling word ik gehinderd door automobilisten (die ongetwijfeld het omgekeerde zullen beweren). Aan het begin van de avond begint het wat bewolkt te worden; de weersvoorspellingen voor de komende dagen zijn ook niet zo denderend. Tegen zevenen ben ik weer 'thuis', moe en voldaan. Ik krijg een kamer met de Arc binnen gehoorsafstand (evenals de weg er langs). Ze eten hier gelukkig weer gewoon met z'n allen aan tafel. Ik maak kennis met een wat oudere, grappige, slechthorende Fransman, die het niet lukt mij duidelijk te maken wat hij vroeger voor werk deed en waar hij nu zoal z'n tijd mee vult. Een groot deel van de avond breng ik door met een Spaans gezin (vader, moeder, dochter van elf), met praten en kaarten. 't Is heel gezellig; pas om elf uur zoek ik mijn bed op.




    Lanslebourg - le Bourg d'Oisans,   161 km
In twee uur a 25 km/u rijd ik langs de Arc de bewolking tegemoet. Tot Modane is de omgeving nog wel aardig, daarna is het - en dat was het tien jaar geleden ook al - shit! 't Enige voordeel ten opzichte van toen is dat er nu naast de Route Nationale ook nog een autoroute in het dal is geperst, waardoor de N6 behoorlijk ontlast wordt. In Montrichet, dat minder voorstelt dan ik op grond van de kaart verwacht had, houd ik pauze in een dranklokaal uit de jaren '40, waar ik bediend word door een oude dame van nog voor de jaren '40. Ik stal er twee tassen om de beklimming naar Les Karellis wat te vergemakkelijken. Het kan elk moment gaan regenen, en ik besluit om rechtsomkeert te maken als dat gedurende de eerste vijf kilometers (van de tien of zo) zal gebeuren. 't Stijgt wel aardig naar Les Karellis, 't is vrij rustig, maar 't is niet gedenkwaardig. De regen wacht nog even. Na een blikje en een banaantje in dit gemoedelijk aandoende skidorp suis ik weer omlaag. De koffie was niet slecht, ik neem een tweede bakkie aan het tafeltje op de stoep. Ik maak m'n tassen regenklaar, en begin na een vlakke vijf km aan de laatste grote klim. De D80 van Villargondran naar Albiez-le-Jeune ziet er op de kaart aantrekkelijk uit, met minstens twintig haarspeldbochten. Dat aantal kan je gerust met twee vermenigvuldigen; wat een belazerde afdaling moet het zijn. Om te klimmen is het heerlijk; 't is niet echt steil, ik schat zo'n 5 a 8 %, het duurt alleen wel erg lang voordat je weer in de bewoonde wereld komt. Bij Albiez sta je op de drempel van het hooggebergte. Aan alle kanten zie je hoge, al dan niet besneeuwde toppen. Een machtige omgeving. Het meeste klimmen tot de Col du Molard zit er dan op. Er volgt een afdaling naar het dal van de Arve, waar ik op 1200 meter hoogte weer min op meer opnieuw kan beginnen, aan de tweede helft van de Croix-de-Fer. Afgezien van wat spatjes bereik ik St Sorlin-des-Arves redelijk droog. Ik ervaar de omgeving niet meer als zo fantastisch als in 1987; St Sorlin begint uit z'n voegen te groeien. Jammer. Na een flinke pauze in St Sorlin kruip ik de laatse 8 kilometer omhoog naar de Croix de Fer; vooral de eerste kilometer is steil. M'n helm zet ik pas op op de Glandon, waar ik even geniet van het mooie uitzicht.



Uitzicht vanaf Col du Glandon naar het noorden



Afdaling Glandon naar het zuiden

De afdaling naar het zuiden kent voor mij weinig geheimen meer. Dit in tegenstelling tot voor drie landgenoten, die ik achterop rijd vlak voor de omleiding om de verzakte bergwand (in 1989), die eindigt met een steile kilometer omhoog. De drie worden daar compleet door verrast ... er wordt gevloekt en de kettingen kraken ... ik peddel rustig in de juiste versnelling bij ze vandaan.

Daarna komt een steil stuk omlaag van vijf kilometer, bijna zonder bochten.   Vliegen! Om half zeven meld ik mij bij de mij reeds bekende gezellige gîte, twee km buiten Le Bourg d'Oisans, met aardige beheerders die in de 70'er jaren zijn blijven steken. We eten gezellig in de tuin onder de grote linde, die om negen uur een kwartier dienst doet als paraplu (maar het dan ook niet meer houdt). Ik maak kennis met een tanig en pezig Fransmannetje van een jaar of zestig dat mij tot een lidmaatschap van de Club des cent Cols probeert over te halen. Hijzelf heeft vandaag een onverharde pas van boven de 2300 meter aan zijn lijst toegevoegd.


le Bourg d'Oisans - Peipin,   161 km
Naar m'n gevoel is de terugtocht begonnen, en dat is geen goed gevoel. Verder zie ik ook op tegen de Col de Parquetout. De beklimming van de Col d'Ornon loopt niet lekker. In Entraigues blijken de twee restaurants niet meer open te zijn (nooit meer!), dus rijd ik iets om, naar Valbonnais, waar me eenzelfde lot treft, en ook een fikse bui. Wat een ellende. (Nou ja, alles is relatief natuurlijk.) Dan weer twee km terug voor de steilste beklimming van de vakantie. Zeven jaar geleden werd ik er volkomen door verrast, en nu ben ik er geestelijk meer op voorbereid, maar wat zijn met name de eerste drie kilometers verrekte steil; het verse grind helpt ook niet erg. De 7.5 km kosten me op de kop af een uur. Wat een weg zeg! Aan de zuidkant is het wat minder bewolkt, maar op de foto die ik maak van de Obiou zie je de Obiou nauwelijks terug. In Corps krijg ik onder het koffiedrinken de schrik van de dag als blijkt dat ik de Tour Féminin op mijn pad zal treffen. Het alternatief – de hoofdweg via Gap – is niet echt een optie. Ongerust spoed ik mij naar de Col du Festre – haastige spoed is zonde – in de veronderstelling dat ik ze net voor kan zijn. De karavaan bij deze Tour blijkt echter nog geen 10% te zijn van die van de mannentour. In Veynes, waar ik me met een fles sinaasappelsap, een stokbrood en kaas op de stoep heb geïnstalleerd, sluiten ze de weg pas twintig minuten voor de verwachte doorkomsttijd geheel af. De dames hebben er echter weinig vaart in vandaag. Als ze er twintig minuten na het verwachte tijdstip nog niet zijn, stap ik maar weer eens op voor de laatste zestig kilometer. 't Begin is bekend en leuk - het laatste gedeelte saai, en door de harde zuidenwind ook zwaar. Rond zeven uur draai ik de deel op van de gîte van Peipin, een gunstige uitvalsbasis voor de laatste etappe, en bekend van de aardige beheerders en de voortreffelijke maaltijden. Vis met aïolisaus vormt vandaag het hoofdgerecht. Het tafelgesprek met twee Zwitsers en een licht zwakbegaafde jongeman uit Grenoble is levendig.


Peipin - Suze-la-Rousse,   163 km
Voor het eerst sinds Maljasset weer eens strakblauwe hemel bij vertrek. Joepie! De laatste etappe is ongeveer gelijk de eerste etappe in tegengestelde richting, maar dan met de Mont-Ventoux. Een lange zeer geleidelijke aanloop langs de Jabron, een minder saaie weg dan zoals ik hem mij herinnerde, naar de Col du Négron. De laatste drie kilometer is het wel flink aanpoten. In Revest-du-Bion de laatste koffiepauze in café "Bar des Alpes". Dan wacht me toch nog een grote klim, naar de Mont-Ventoux, hoewel dat vanuit Sault niet zo'n zware is. 't Is warm, maar 't gaat tot Chalêt Reynard erg gemakkelijk. Ik word wel een paar keer gepasseerd door hardrijders alsof ik stilsta. Op mijn beurt passeer ik een gezin op de fiets met kinderen in rugdrager en fietskar. De wind valt mee vandaag, maar vanaf Chalêt Reynard moet er flink gewerkt worden. Ik profiteer bovenop even van het uitzicht, maak een praatje met een Amerikaan, en stort mij omlaag naar Malaucène. Onderweg breng ik m'n topsnelheid van 2001 op 72 km/u. In Malaucène verblijf ik bijna twee uur, voor een flinke coupe ijs, gevolgd door inkopen (boeken en souvenirs). Het eerste stukje naar Vaison-la-Romaine gaat nog licht bergaf, en ik krijg er weer zin in, maar niet in de drukte. Ik verzin nog wat rustige lusjes door de wijnheuvels, kom zelfs nog een colbordje tegen (Col le Debat, 251 m), voordat ik het in Saint-Cécile, 7 km van het eindpunt voor gezien houd. Helaas geen leuke jeu-de-boules pleintjes daar. In Suze-la-Rousse tref ik twee busgenoten, met wie ik gezellig de avond doorbreng op het dorpsplein waar de bus ons zal oppikken. Uiteindelijk blijken we trouwens niet met dezelfde bus naar Nederland te reizen. Om een uur of tien voegt sportieve Gee uit Antwerpen zich nog bij ons. Het wachten op de bus, die krek op tijd (00:30 uur) arriveert, duurt zo niet lang.



Totaalafstand van deze twaalfdaagse:   1969 kilometer   (164 km/dag)



      Back to   Homepage Cycling


.