Pyreneeën, westelijke deel,   29 juli 2000 – 8 augustus 2000




28/29 - 7 - 2000   Nootdorp → Hendaye


Ik volg m'n vaste traject naar Utrecht, met vaste pauze in Harmelen (soms ook Woerden), vaste omkleedplaats vlak voor Utrecht.
Daar ontdek ik: geen onderbroeken mee.
Dan maar via C&A Hoog-Catherijne naar 't Jaarbeursplein.
Een kwartier voor vertrektijd arriveer ik bij de de bus, als laatste.
Vlotte busreis tot Parijze voorsteden. Lelijke omgeving!
Leuk gebabbeld met ene Eling uit Friesland, fietser + wiskundedocent.
In de nanacht wat oponthoud ten zuiden van Bordeaux, i.v.m. Samedi Noir.
Daardoor extra (ontbijt)pauze, en toeristisch laatste stukje langs Atlantische kust.
Mooie omgeving!
Mooi weer ook.
Aankomst anderhalf uur later dan gepland in Hendaye.







29 - 7 - 2000     Hendaye → St.Étienne-de-Baïgorry,   140 km

Alto Jaizkibel – Vera de Bidassoa – Col d'Ibardin – Col de Lizanuaga – Col de St. Ignace – Puerto Otxondo – Col Izpégy – St. Étienne



            Alto Jaizkibel avec vue sur l'Atlantique

Veel heen en weer tussen Frankrijk en Spanje. Kleine pasjes, redelijk rustige wegen. Gezellige pauze in toeristisch Sare met Nederlands stel, twee uur later dan ik vertrokken uit Hendaye. Lekker warme middag. Halverwege de etappe doet de spier boven m'n rechterknie zich voelen, waardoor ik een pasje links laat liggen. Tsja, in het voorseizoen heb ik meer gelopen dan gefietst. Fraaie, prettige beklimmingen naar de Puerto d'Otxondo en de Col d'Izpégy, de laatste ook met een mooie wisseling van omgeving tussen de west- en oostzijde (zoals mij reeds bekend). Weerzien na negen jaar met de gîte d'étape van St. Étienne, die ik niet meer weet te plaatsen, maar wel nog herken. Ik deel de primitieve dortoir met twee Franse fietsers (de man kende de Pyreneeën beter dan ik!) en een stuk of acht wandelaars.




30 - 7 - 2000,   rondrit vanuit St. Étienne, 146 km
Collado d'Urquiaga – Alto Egozcue – Alto Erro – Alto Mezquiriz – Alto Ibañeta – Orzanzurieta – St.Jean Pied-de-Port – St. Étienne


Vanuit St.Étienne enkele nieuwe pasjes en twee passen van een nieuwe zijde.
Een zeer mooie ochtend door het zeer mooie (en rustige) dal van de Aldudes, met een zeer steile passage, die Keutenberg-achtig aandoet (aanvoelt!). Daarna duurt het nog wel een tijd voordat, een paar kilometer na de Spaanse grens, de Collado d'Urquiaga bereikt is. Een dicht beboste, geleidelijke afdaling tot een vrij breed dal volgt. Ik maak een zijstapje naar rechts (voor ' de lijst') over een stil, matig verhard weggetje naar de Alto Egozcue. In Zubiri even pauze op een bankje met een Spanjaard (vermoed ik, gezien de krant die hij leest) alvorens de volgende niet zulke zware Alto's beklommen moeten worden; ook met de behoorlijke warmte is het niet echt zwaar. Eenmaal op de volgende noord-zuid route is er weinig meer te stijgen tot de Col de Roncevaux (zoals de Fransen hem kennen). In Roncevalles duurt het wachten in een druk restaurant ('t is zondagmiddag) me te lang, dus ik zoek niet veel verder een plekje in de schaduw. Ik vind dat ik me tijdens deze eerste etappe zonder bagage toch wat meer moet testen (en dan met name m'n rechterknie), dus ik voeg vanaf de laatstgenoemde pas de pittige klim naar het 1570 m hoog gelegen punt met de naam Orzanzurieta toe.


            Steile passage naar Orzanzurieta



        Brokkelig wegdek in afdaling vanaf Orzanzurieta

't Is echt het hoogste punt van de omgeving, en 't roept herinneringen op aan de klim naar de Mont Colombis, zij het dat het wegdek daar in betere staat verkeerde. De afdaling over dat slechte stuk is listig, de rest van de afdaling is geweldig! Vlak voor St.Jean Pied-de-Port passeer ik in drie fasen een bepakt en bezakt Nederlands gezin: eerst moeder, vervolgens twee dochters, tenslotte zoonlief en pa; lekker gezellig samen onderweg. Na nog een vlak ommetje kom ik rond zessen weer thuis. Ik heb niet veel behoefte aan aanspraak, schrijf veel, en kruip op tijd in m'n lakenzak, na een kwartiertje rekken op m'n 'bed' met tien matrassen naast elkaar.





31 - 7 - 2000,     St. Étienne-de-Baigorry → Issor,   158 km
St. Jean - Mendive - Ahusquy – Col de Lecharria – Tardets – Issor – Col de Lié – Col de Soudet – Col d'Issarbe – Lanne – Issor



Een heiige ochtend. Een kort klimmetje tussen St. Étienne en St. Jean Pied-de-Port, waar de maandagochtend bedrijvigheid langzaam op gang komt. Rust voor de drukte; aparte sfeer. Daarna een saai stukje tot St. Jean-le-Vieux, en vandaar met nerveuze benen rechtsaf tot het begin van de ultieme test voor de knieën: de zeer steile weg naar Ahusquy. Bij de driesprong waar 't allemaal begint nog even koffiepauze in Mendive, waar een vrouw achter de bar me waarschuwt: "Ouff, c'est raid!" En steil wordt 't, heel steil, met name de eerste drie kilometers. De weg loopt langs een heuvelrij voortdurend zo'n 8 á 12 % omhoog. Het schaduwenspel door de opkomende zon die ik tegemoet rijd, is adembenemend (evenals de klim); de blik omlaag naar de weg naar de Col de Burdincurretcheta imposant.



        Schaduwenspel op weg naar Ahusquy



        Blik omlaag, naar route Col d'Haltza

Met hangen en wurgen kom ik boven, en na nog een plaagstootje tot de Col de Lecharria volgt een snelle, vervelende afdaling naar Arhan. In Tardets-Sorholus, waar het op maandag ook markt is, houd ik pauze met cola en gebak, en zie dat ik iets achterlig op m'n schema. Ik had gehoopt om een uur of twaalf in de gîte van Issor te zijn. Dat lukt onder meer niet doordat ik de gîte gekozen heb die 2,5 km buiten (en 200 meter boven!) Issor blijkt te liggen. Een klim die ik dus twee keer moet doen. Even na enen zoef ik weer omlaag, na nog wel even genoten te hebben van het uitzicht over Issor en het dal van de Ichère.



                  Blik vanaf de gîte op Issor

Dat dal volg ik 7 km alvorens ik afsla naar de Col de Lié, in m'n optimisme tussengevoegd, waar ik met moeite een luid ronkende tractor achter me weet te houden. Na de korte afdaling laat ik Arète rechts liggen, de winkels zullen daar toch gesloten zijn, en ik hoop op een restaurant bij Vieux-Moulin, vlak voordat de klim naar de Col de la Pierre St. Martin echt begint. Dat restaurant blijkt niet (meer!) te bestaan. En tegen m'n verwachting in blijk ik geen croissantjes meer bij me te hebben. Foutje! Met bovendien een krappe hoeveelheid vocht is de onderneming ( ca. 10 km á 9%) een hachelijke. Doucement, doucement, met te weinig oog voor de prachtige omgeving, want met al m'n aandacht op m'n lichaam, klaar ik het tot de Col de Labays, waarna het iets minder steil wordt. Maar als ook daar geen ravitailleringsgelegenheid blijkt te zijn zinkt de moed me in de schoenen en voel ik m'n krachten heel snel afnemen. Ten einde raad schiet ik een stel aan dat na een wandeling terugkeert bij hun camper, en goddank, zij hebben mueslirepen voor me; wel vier verschillende smaken! Het laatste stukje tot de Col de Soudet gaat het wel weer. Even voor Arète St. Martin sla ik rechtsaf. Twee km steil dalen, 3 km gematigd klimmen, en vervolgens een rottige afdaling (lang en met slecht lopende bochten) tot Balarnès. Het is warm, de etappe was zwaar, het beste is er wel af. Als een berg zie ik op tegen de laatste twee klimmetjes, met name de laatste 2,5 km. In Lanne-en-Barretous even pauze; een ijsje en een biertje gaan er nog wel in, maar chips (voor het zout) kan ik niet wegkrijgen; m'n mond is te droog. Het eten bij de gîte, buiten, is lekker en gezellig (hoewel een Franse moeder wel erg bovenop haar (te) brave kindertjes zit). Ik heb de slaapzaal voor mezelf, 't is lekker koel, maar ik slaap niet best. 's Nachts valt me de stilte op van ontbrekende koebellen.



1 - 8 - 2000,     Issor → Ainsá,   168 km;         Arudy – Col du Pourtalet – Biescas – Puerto Cotefablo – Ainsá


Een rustige ochtend door de ochtendnevel, door het Forêt d'Arudy met het voorgevoel van mooi weer. Bij Arudy rechtsaf richting Laruns, richting Pourtalet (een wat oudere Fransman laat zich met fiets en al uit de auto zetten door zijn vrouw; au revoir au sommet!), over een hoofdroute die na Laruns inderdaad vrij druk wordt. In Laruns is het trouwens ook gezellig Frans/toeristisch druk. Daarna begint het klimmen zo'n beetje; door een kloof, via een oude badplaats (thermes) via een oud energiestation(?); wat een mooie weg, véél mooier dan ik mij van een afdaling in de motregen in 1991 herinner.



      Prima route-informatie   . . . .


      . . . .   op weg naar Col du Pourtalet

Bovenop de Pourtalet besteed ik m'n eerste peseta's aan koek en fris, en vervolgens daal ik af door een enigszins tegenvallend dal. Alleen het begin, met het zicht op restjes sneeuw in de verte is wel indrukwekkend. Kilometers maken tot Biescas, waar ik echt wel toe ben aan verkoeling, zowel in- als uitwendig. Bij het verlaten van Biescas slaat de schrik toe als volgens een bord langs de weg Ainsá 15 kilometer verder is dan m'n kaart aangaf; 't is bij drieën en ik heb nog 70 km te gaan, met om te beginnen een klim van de tweede categorie. Ik klim naar m'n eerste onverlichte(?) tunnel. De laatste drie (warme) kilometers tot de Puerto Cotefablo zijn vrij pittig. De tunnel blijkt inmiddels verlicht. Daarna op een klein hobbeltje na alsmaar omlaag tot Ainsá; tempo rijden met de blik op oneindig! Uitputtend! Het dorpje waar ik een pauze (en iets fris) gepland heb blijkt inmiddels verlaten. Tijdens een korte pauze zonder fris stopt een auto met een Spaans stelletje. Zij bieden me bronwater aan, en dat is toch vies: net zo warm als m'n bidonwater maar met de smaak en lucht van zwembadwater. Tijdens de laatste 10 km is het de vraag of ik al dan niet ingelopen ga worden door onweer. Dat onweer valt uiteindelijk nogal mee. Dat het in Ainsá even voor zeven (het V.V.V. is nog net open) begint te regenen deert me niet. Een hotel is snel geboekt. Erg ongezellig, maar ook wel erg luxe. Het eten, pas vanaf 21:00 uur (dat is niet fijn!), valt een beetje tegen. Van de minibar in m'n kamer maak ik ruim gebruik, want het is erg benauwd. Daardoor slaap ik wederom slecht.





2 - 8 - 2000,     Ainsá → Bagnères de Luchon,   129 km
Tunel de Bielsa – Piau-Engaly – St. Lary-Soulan – Col de Val Louron-Azet – Col de Peyresourde – Luchon


Vóór enig teken van leven van anderen (gasten en personeel) duw ik m'n fiets de garagekelder uit. Gelukkig zit de deur niet op slot, iets wat me ooit in een Spaans hotel overkwam. Vanaf Ainsá is het direct aftellen (met de bordjes langs de weg) naar de tweede onverlichte (?) tunnel van de vakantie, te weten de 1200 meter hoger gelegen Tunel de Bielsa. De route volgt de vallei van de Riu Cinca, die op dit ochtendlijke uur nog vol schaduwen is. In eerste instantie een breed dal, daarna ook wat smalle en zeer mooie passages. In Bielsa, wat het hoogteverschil betreft zo ongeveer halverwege, houd ik even koffiepauze, met een niet al te smakelijk deegproduct uit de plaatselijke supermarkt. Daarna, door nog steeds een mooie omgeving, met alleen wat meer auto's, is het wachten op het echte klimwerk, gevolgd door de duisternis(?). Dat klimmen dient zich pas een kilometer of acht voor de tunnel aan. Een paar km á 8% zit er wel tussen.



                    DE (!)   tunnel.
Vlak voor het gróte avontuur stapte ik nog even af om een foto te maken en om m'n zaklamp bij de hand te hebben. De tunnel blijkt verlicht ... tot na een kilometer of zo ... dan houdt de verlichting op ... ik moet het doen met m'n twee eigen lampen ... en word regelmatig bijgeschenen door auto's ... waaronder vrachtauto's ... die met veel geraas aankomen. 't Duurt wel wat lang naar m'n zin: ik klok 14'12" voor 3,1 kilometer. En aan de andere kant, in het departement Hautes Pyrenées heerst de mist.



            "Uitzicht" naar het noorden

De afdaling is kort en flitsend. Ik waag me aan de zijstap omhoog naar Piau-Engaly. Zeer weinig zicht, maar 't klimmen gaat vrij soepel. In het tamelijk uitgestorven skidorp een lange pauze in een bar met tv. Vanuit mijn hoekje begrijp ik dat er iets mis is gegaan met een Nederlandse pendelbus (die was min of meer tot de helft opengereten na een aanrijding met een viaduct). Vervolgens een lange afdaling tot St. Lary-Soulan, en weer omhoog, langzaam de mist in, naar de pittige Col de Val Louron-Azet, met interessante terugblikken op Le Pla d'Adet, langzaam de dichte mist in tot het hoogste punt, op 1580 meter. Op de top is het uitgestorven; de klim vanaf de andere kant ziet er een stuk pittiger uit. In een barretje bij Estarvielle kom ik even op adem met een Franse 'sandwich' alvorens ik mij aan de laatste 600 hoogtemeters zet. Beslist geen slechte dag; ik hoop dat de knie-problemen voorgoed overwonnen zijn; het lijkt erop. De Peyresourde, want dat is de laatste col van deze etappe, is een beetje saai met zulk weinig zicht. Tijdens de afdaling, door mist en regen, let ik speciaal op de afslag naar de Port de Balès; zou het er morgen van komen? Vanuit Luchon reserveer ik vast een bed in Seix. Het laatste stukje tot de gîte kent nog een gemeen steil gedeelte! De gîte bevindt zich in een groot herenhuis. Behalve ik bivakkeren er een stuk of twaalf verstandelijk gehandicapten met begeleiders. Ik heb een kamer met drie stapelbedden voor mezelf. Ruimte genoeg dus om natte kleren en natte was uit te hangen. Prima diner; wel een beetje eenzaam (net als de dag ervoor). De toezichthouder van de gîte kan me helaas niet wijzer maken aangaande de toestand van de weg rond de Port de Balès. 's Nachts word ik wakker van het snurken van iemand in de kamer naast de mijne. Ik kom met dat achtergrondlawaai niet meer in slaap. Gelukkig is er nog een andere (verder gelegen!) kamer leeg.





3 - 8 - 2000,     rondrit vanuit Luchon,   128 km

Superbagnères – Luchon – St. Béat
– Col de Menté – Col d'Artigascou – Fos – Bossost – Col de Portillon – Luchon

Eerste grote klimdag? Dat was de bedoeling. Helaas: regen; harde regen. Na het ontbijt wacht ik een uurtje tot het wat minder hard regent. Van tevoren had ik dit soort dagen wel verwacht, maar natuurlijk is het shit als het gebeurt. Tegen negenen dan toch op weg naar Superbagnères, beslist een noemenswaardige toevoeging aan m'n lijst Pyreneeëncols. Lekker fris! Lekker rustig ook. Maar helaas: geen meter zicht. Een paar winkels op de top, een ervan geeft mij een beetje warmte. Een natte, koude afdaling, met niet al te beste remmen. In Luchon tijd voor gebak en koffie, het laatste in een zorgvuldig uitgezocht warm café. In een winkel had iemand op mijn vraag of we de zon nog zouden zien meewarig gereageerd: "Quand c'est blocqué c'est blocqué." Nee dus. 't Is ten minste droog als ik langs de Garonne naar het noorden rijd, op weg naar de tweede uitdaging van de dag: de Col de Menté. Aan de voet daarvan, in St. Béat hoost het verschrikkelijk. Ik laat me er niet door weerhouden, en gelukkig valt 't eenmaal bergop ook wel mee. Een lekkere (pittige) klim in de motregen. Ik laat me op de top voor de afwisseling eens vastleggen op de foto; aan foto's van de omgeving valt vandaag weinig eer te behalen.



Natte toestanden.

Daarna niet gelijk omlaag, maar rechtsaf naar de Col d'Artigascou, die ik ook voor de volgende etappe op het programma heb staan. Twee keer moet ik de weg vragen, en de informatie over de kwaliteit van de weg die ik in laatste instantie krijg is iets te positief: de weg wordt een modderig pad, waar het rijden (in de regen!) bovendien bemoeilijkt wordt door diverse groepen koeien. Omhoog – omlaag – omhoog – omlaag – en geen col-aanduiding. De pas moet op een driesprong liggen, maar afgezien van een nog smaller modderpaadje naar links kom ik niks tegen. En het duurt maar, het duurt maar. Na een wat langer stuk dalen opeens een haarspeldbocht naar links, voor mijn gevoel naar de verkeerde kant. Maar mijn oriëntatievermogen is nooit bijster goed geweest. Twee kilometer terug had ik een auto van een bosbeheerder (dacht ik) zien staan, dus – inwendig vloekend – keer ik weerom, om rond de auto niemand aan te treffen. M'n enige steun is een bord met "Forêt de Melles", en Melles ligt aan de goede (west)kant. Omkeren dan maar weer en ..... ik zit goed: na een listige afdaling (steil, vochtig, bochtig, en met remmen met nog minder grip dan 's ochtends) bereik ik Melles, in welk gehucht ik te laat ben om nog iets warms geserveerd te krijgen. Verderop, in het dorpje Fos aan de grote weg, is een bakker. Daar laat ik een pizza opwarmen, die ik in de winkel opeet (ik ben nat en heb het koud). Met verkleumde vingers, onder de luifel van de bakker (op een stoep van anderhalve meter breed, langs een tamelijk drukke weg) stel ik m'n remmen wat bij (waarna de achterrem in feite permanent remt). Met enige optimisme stap ik weer op, en met wind in de rug rijd ik voor de zesde keer deze vakantie Spanje in. Weldra begint het weer te regenen. Schuilen in Lès helpt slechts tijdelijk. In Bossost HOOST het weer, maar zoals eerder bij de Col de Menté wordt de regen gelukkig minder zodra ik uit het dal van de Garonne begin te klimmen. Helaas, helaas, moet ik de Col de Portillon voor de tweede keer (want ook in '91) in de regen doen. M'n strak afgestelde remmen bewijzen hun waarde in de steile afdaling, en het laatste hobbeltje naar de gîte is minder gemeen dan een dag eerder (toen met bagage). Ik heb tijd noch zin voor de klim naar Hospice de France. Koud en NAT arriveer ik ruim voor etenstijd bij de gîte. De andere gasten zijn uit eten. De in eerste instantie wat knorrig aandoende beheerder valt bij nader inzien mee. Hij houdt mij vanavond een half uurtje gezelschap.




4 - 8 - 2000,     Luchon → Seix,   112 km

Luchon – Col des Ares – Col de Buret – Col de Portet d'Aspet – Castillon-en-Couserans – Col de la Core – Seix-Aunac

De beheerder van de gîte heeft me weinig goeds voorspeld aangaande het weer, dus ik ben al blij dat ik zonder regen kan vertrekken. Na de ervaringen van gister rond de Col d'Artigascou heb ik besloten die verder maar links te laten liggen (ik vermoed dat de afdaling naar het oosten niet meer dan een glibberig bospad zal zijn, en de col staat nu per slot van rekening op "de lijst"). Ook de Col de Menté laat ik links (in feite rechts) liggen, zoveel vertrouwen heb ik nu ook weer niet in m'n knieën, hoewel die zich de laatste twee dagen perfect hebben gehouden. Ik kies derhalve een gemakkelijke route om het dal van de Garonne te verlaten, namelijk over de Col des Ares. Vlak voor het klimmetje breekt zowaar het wolkendek, en zie ik voor het eerst in twee dagen een paar stukjes blauwe lucht; dat is voldoende aanleiding om weer eens wat te fotograferen (foto's die bij thuiskomst niet zoveel voorstellen). Na de col een lichte afdaling door een lieflijke omgeving, en koffie in Juzet d'Izaut in een café met achter de toog een zeer stuurse dame. De eerste zware beproeving van de dag is de Col de Portet d'Aspet, met 4 km van zo'n 10%. Doucement, doucement, dan gaat het wel. Daarna een fikse afdaling waar ik een stukje gelijk op rijd met twee Françaises die de Pyreneeën ook 'the hard way' doen. In Castillon-en-Couserans doe ik lunch-inkopen, en tref op een terrasje een landgenoot, die zijn lunch net beëindigd heeft. Ene Richard uit Amersfoort. Samen rijden we in een aangenaam tempo de Col de la Core op. Boven betrekt het van het ene op het andere moment, en tijdens de afdaling houden we het helaas niet droog. 't Is erg gezellig en onder het genot van een chocolat chaud in Seix besluiten we, o.a. na dat buitje, om onze plannen aan elkaar aan te passen, en samen te overnachten in de gîte van Seix. Dat blijkt de gîte van Aunac te zijn, 2,5 km van Seix verwijderd, en (minstens) 200 meter hoger! Volgens de kaart moet het gehucht van twee kanten te benaderen zijn; in het echt is de route die wij gekozen hebben voor het grootste deel een wandelpad. Bovendien is de ligging van de gîte nergens aangegeven. Het kost ons ruim een halfuur om er te komen. Bij aankomst vrezen we even dat we in een tent gelegerd zullen worden, maar dat valt alleszins mee: een ruime zolderkamer valt ons ten deel, met de 'belofte' van nog twee kamergenotes later op de avond. Die laten het (vanwege het weer?) trouwens afweten. Verder zijn er wel twee gezinnen met kleine kinderen die dagtochten maken met ezels, en waarvan de ouders het prima met de eigenaren van de gîte kunnen vinden, zeker naarmate de wijn van de fles in de mens verdwijnt. Richard en ik doen wel wat aan de conversatie mee (ook een beetje aan de wijn) en hebben samen genoeg te kletsen. Het gesprek wordt in de slaapkamer nog een halfuur voortgezet als klassieke muziek een onderwerp van gedeelde interesse blijkt te zijn.





5 - 8 - 2000,     Seix → Seix,   132 km;         Col d'Agnes – Port de Lers – Tarascon – Col de Port – Col de Saraillé – Seix




Tussen Col d'Agnes   . . .


  . . . en Port de Lers


Vroeg op, en tot m'n verbazing bereidt de (slok slok) baas, en niet zijn vrouw, het ontbijt. Dit had de tweede grote klimdag moeten worden, maar: petweer! Met bange voorgevoelens daal ik het steile (maar wel verharde) weggetje af naar Seix, en door de motregen, door de plassen volg ik de vlakke route naar Aulus-les-Bains. Ik heb een leuke route uitgestippeld. In Aulus is het moeilijk om een open restaurant aan te treffen; 'k heb er pas twintig kilometer opzitten, maar ik ben koud, en het eerstvolgende restaurant ligt twee passen verder. Bij het heen en weer rijden knapt er ook nog eens een elastiek van een fietstas. Wat een groot klein leed! Uiteindelijk beland ik in de ontbijtruimte van een hotel als vreemde gast tussen een aantal gasten op leeftijd, en warm wat op met een wederom een chocolat chaud. Daarna de prachtige klim naar de Col d'Agnes, helaas vandaag niet zo prachtig. Nabij het hoogste punt zet de regen flink door, en rond de iets verder gelegen Port de Lers is het verschrikkelijk! M'n niet meer goed waterdichte fietsjack met daaroverheen m'n ook niet 100% waterdichte hardloopjack bieden niet voldoende weerstand tegen de wateroverlast. Tot m'n grote verbazing kom ik ook nog een lotgenoot tegen, die 's ochtends met droog weer(!?) uit Vic-Dessos is vertrokken. Tot genoemde plaats blijft het hozen. M'n katoenen trui is van de manchetten tot boven de ellebogen doorweekt, en m'n sokken ....... Brrrr! Een uur in een verwarmde lunchroom is niet voldoende om weer helemaal droog te worden, ik vraag me af of m'n schoenen überhaupt nog droog zullen worden voor eindpunt Argelès. In dat uur houdt het zowaar wel op met regenen, en ik krijg weer een beetje moed. M'n buitenste jack is bijna drooggewaaid als een nieuwe stortbui dat laatste restje moed wegspoelt en ik besluit de weinig interessante (maar kortste) route over de Col de Port te nemen. Jammer. Achteraf blijkt dat stortbuitje tussen Vic-Dessos en Tarason het laatste buitje van de vakantie te zijn geweest. In Massat, aan de 'thuiszijde' van de Col de Port zit ik om een uur of drie buiten op een terrasje in een schraal zonnetje; het kan verkeren. De weg naar het volgende hobbeltje, de Col de Saraillé is oneindig kronkelend en erg rustig. Leuk weggetje toch wel. Niet geheel voldaan, wel behoorlijk moe, en nog steeds met natte voeten arriveer ik tussen zes en zeven bij de gîte. Uiteraard geen andere fietsers daar. Wel een open haard, in bedrijf! waardoor mijn schoenen veel eerder dan verwacht, namelijk de volgende ochtend al, droog zijn. (M'n sokken belanden in de vuilnisbak.)






6 - 8 - 2000,     Seix → St. Lary Soulan,   142 km


Col de Catchoudègue – Col de Portet –
Col de Portet d'Aspet – Col de Hountérède – Montréjeau   –   Saint-Lary-Soulan





Col de Portet in zicht.


Een dag met twee omslagpunten. Ten eerste het weer. Een prachtige, zachte, lichtbewolkte dag. Ten tweede de knieën. Al bij de eerste kilometer omhoog, en die is inderdaad erg steil, voel ik dat het rechts niet helemaal goed zit. Totdantoe heeft rustig doorrijden steeds geen problemen gegeven. Over een wederom zeer kronkelig, zeer rustig weggetje voeg ik twee onbekende pasjes aan m'n lijst toe. Daarna kom ik in het brede dal van de Bouigane dat langzaam naar de Col de Portet d'Aspet voert. Een halfuurtje rust met koffie en koek verandert niets aan het pijnlijke gevoel, sterker nog, naarmate de weg steiler wordt, wordt de pijn erger. In Portet d'Aspet met nog 2,5 km van 9 á 10% geef ik het op. Een treurig moment op een bankje langs de weg, terwijl aan de overkant de voorbereidingen voor een feestmiddag beginnen. Tien meter verderop bevindt zich een telefooncel. Ik hak de knoop door en bel naar de gîte van Sailhan dat ik vanwege mal aux genoux Sailhan niet zal halen. Daarna stap ik op met het idee om in Aspet verdere plannen te maken. De laatste paar kilometers naar de col kruip ik met acht à negen km per uur omhoog. Verder tot Aspet geen problemen. In Aspet pak ik de kaart en het gîte-boek er maar eens bij. Twee telefoontjes lopen op niets uit: complet. Het lijk me het beste om naar het noorden de Pyreneeën te verlaten, en vervolgens westwaarts te fietsen, in de richting van het eindpunt van twee dagen later. Spijtig dat de oostkant van de Tourmalet zal blijven ontbreken op m'n Pyreneeënlijst. 't Is vreemd om de bergen en vervolgens de heuvels te verlaten, maar gelukkig gaat het fietsen tot Montréjeau prima. In Montréjeau heb ik in 1987 twee nachten doorgebracht in een vunzige jeugdherberg, maar ik herken dertien jaar later niets meer van het stadje. Op een plein in het centrum eet ik wat wafels en voer stukjes aan een zwerfhond - de ene zwerver is solidair met de andere. Weer neem ik de gîte-brochure erbij, en het valt me nu pas op dat er in St. Lary ook een gîte is. Ik had daarvoor niet begrepen dat de Route de Cap-de-Long een straat in St. Lary is (en niet de weg omhoog naar een bergmeertje op 2150 meter). Weliswaar is het bijna drie uur, en ligt St. Lary op zo'n 65 kilometer afstand, bovendien 500 meter hoger dan waar ik mij bevind, maar ik waag het erop, en bel. Er is nog net plaats, en ik 'ga ervoor'. De eerste 25 km zijn zo vlak als de IJsselmeerpolders. Daarna volg ik enkele kilometers een smal weggetje vlak langs de Neste d'Aure totdat dat samenkomt met de hoofdweg naar Spanje (door de Bielsa-tunnel). Geen aangename weg, maar ik ben allang blij dat ik ondanks het redelijke tempo en de licht oplopende weg geen last krijg van de knie. Halverwege houd ik nog een korte pauze met cola en een stuk opgewarmde pizza te midden van een typisch Frans tafereeltje: oude mannetjes aan het jeu de boules, nog oudere mannetjes toekijkend en commentaar leverend vanaf een bankje (met nog een plekje voor mij). In de gîte zijn naar mijn gevoel nog heel wat bedden vrij. De ambiance is actief en gezellig, het eten niet geweldig, de 'kamer' evenmin, maar ruim voldoende luxe voor een vermoeide fietser.





7 - 8 - 2000,     Rondrit uit St. Lary Soulan,   113 km;

Col de Beyrède – Col du Tourmalet – Hourquette d'Ancizan





Steil begin naar Col de Beyrède



Verderop naar Col de Beyrède



Laatste 10 km (à 9 % !) tot Col du Tourmalet


Mooi uitzicht over vallei van de Neste d'Aure


Vroeg aan tafel; de spullen zijn zoals wel vaker de avond tevoren klaargezet, ik hoef alleen het knopje van het koffiezetapparaat in te drukken. De eerste twintig kilometers zijn koud: stroomafwaarts door het dal van de Neste d'Aure met de zon nog achter de bergen in het oosten. Bij het verlaten van het dal kan ik gelijk aan de bak: de kilometer voor en direct na Beyrède zijn de steilste van de prachtige beklimming naar de Col de Beyrède. Auto's zijn er bijna niet, 't is zonnig, en overal om mij heen zijn groene bergen. Tot vlak voor de top heb ik geen idee waar het heen gaat; geweldig! Na de afdaling in druk Ste. Marie-de-Campan koffiepauze, en de uiteindelijke beslissing: kijken hoever ik kom naar die Tourmalet. De eerste paar kilometers van de zeventien gebeurt er niet veel; wel schrikbarend veel auto's, en zelfs autobussen. De Tourmalet is dan ook dé col van de Pyreneeën, en de oostkant is sportief gezien de 'beste' (hoewel het voor de professionals waarschijnlijk weinig verschil zal maken.) Uit toeristisch oogpunt is de oostkant, met name voor fietsers, vervelend. De pas-informatie langs de weg is een steun in de rug. Van het bord 10 km voor de top, met nog een hoogteverschil van 900 meter, maak ik een foto. Vandaar fiets ik in één ruk naar de top. Nou ja, tijdens die laatste 10 km doe ik het zo rustig aan dat ik eigenlijk nauwelijks buiten adem bovenkom (in tegenstelling tot vele anderen, waaronder de leden van een Cycletours groep, die 'm van de westkant hebben bedwongen). Na een (Cycletours) soepje duik ik weer omlaag. Snel ja, ik kan niet anders zeggen. Even voorbij La Mongie knijp ik in de remmen voor een praatje met twee van de vier Spaanse 'renners' die ik in de gîte van Saint Lary had ontmoet. In Espiadet vier ik de gisteren niet meer verwachte 'overwinning' met een bananasplit (ik ben weer eens te laat voor een warme hap). De laatste klim valt tegen. Niet wat de benen betreft, maar wel vanwege het drukke verkeer (veel drukker dan op een vroege ochtend in 1991!). Ik haal een 'kruipende' vrouw in, die op de top wordt opgewacht door haar echtgenoot. De afdaling naar Ancizan, over een smalle weg met onoverzichtelijk bochten is ook niet echt prettig, hoewel de vergezichten fraai zijn. En dat was het dan voor de 'grote' klimdag. (Thuis had ik ook de klim naar Le Pla d'Adet erbij gedacht, maar daarvoor heb ik het te rustig aan gedaan.) In St. Lary breid ik m'n collectie Franse Robin Cooks wat uit, en in de gîte kom ik het fietsende stel van op de Hourquette d'Ancizan tegen, met wie het aan tafel heel erg gezellig is. Opnieuw op tijd naar bed, na nog even heel kort kennisgemaakt te hebben met m'n kamergenoot (al voor de tweede nacht). Hij houdt er een heel ander leefritme op na.





8 - 8 - 2000     St. Lary → Argelès-Gazost,   125 km;         Le Pla d'Adet – Col d'Aspin – Bagnères-de-Bigorre – D26 – Argelès




Vielle Aure met daarboven Pla d'Adet



Pla d'Adet op prachtige ochtend



Ver voor m'n wekker ben ik al wakker; met slechts één idee in m'n hoofd: Le Pla d'Adet! Ik heb maar een kilometer of negentig te gaan, met de niet al te lastige Col d'Aspin als enige hindernis, en ik hoef pas om zes uur in Argelès te zijn. (En als het fout zou gaan met m'n knie dan kan ik de Aspin links laten liggen voor een vlakke etappe.)   Eindelijk gaat de wekker, en onder het ontbijt besluit ik om het erop te wagen. Als een dief in de ochtend sluip ik de gîte uit, en spring op m'n Koga. 't Is koud, net als gister, maar nu begint na twee kilometer al de steile klim. Een genot, zo voor het verkeer uit; helaas geen tijd (en moed) voor de afslag naar de Col de Portet. Het dorp daar boven op de rots (dat ik al diverse malen heb zien liggen) begint net wakker te worden terwijl ik de laatste kilometer volbreng. Een foto vind ik het wel waard, voordat ik omlaag zeil; de kabelbaan naar St. Lary is nog niet in bedrijf (maar dat was toch geen serieus alternatief om af te dalen). Om half negen ben ik terug in de inmiddels tot leven gekomen gîte. Vijf minuten later zit ik alweer op de fiets. Laatste gebak-pauze in Arreau, met een Frans stel dat van west naar oost fietst, gevolgd door opa en oma met de kinders en de bagage. Die hebben het mooi voor elkaar! Na de laatste koffiepauze op naar de laatste col. "Chèrs messieurs cyclistes. Prière de ne pas pisser sur nos matériaux!", staat er op een bord bij het begin van de klim.



2 km op weg naar Col d'Aspin:  col al in beeld.



Twee keer deed ik 'm al van de andere kant, en daardoor weet ik waarheen ik omhoog moet kijken om de top al snel te zien. De route ernaartoe is nog een stuk aardiger dan zoals ik hem mij herinner van de twee afdalingen, zij het dat er weer hinderlijk veel auto's omhoog en omlaag rijden. Vanaf de col een (heiige) terugblik, en daarvandaan suis ik naar Ste. Marie-de-Campan, suis ik naar Bagnères-de-Bigorre, met nog lang de Pic du Midi de Bigorre schuin achter in beeld. Net voor de middagsluiting arriveer ik in Bagnères, waar de sfeer wordt opgeleukt met muzak uit luidsprekers boven de straat. In een parkje (het lijkt de tuin van een crèche) verorber ik wat kleffe croissantjes en stippel ik de rest van de route uit. Tijd zat! Ik doe een gelukkig keus: de D26 blijkt een prachtige en rustige weg door de voor-Pyreneeën. Iets voor Lourdes buig ik af naar het zuiden, langs de Gave de Luz. Tegenover Argeles is de afslag naar Hautacam, bekend van Riis en Armstrong: 13 km á 8,5%. Ik sla linksaf, zie even verderop een restaurant, en maak mezelf wijs: 'Als ik daar iets te eten kan krijgen, en m'n bagage kan stallen ..... ' Helaas, zoals zo vaak heb ik te lang gewacht met een plat du jour; zelfs een ijsje zit er niet in. Nou ja, "helaas"; 't is warm, 't zou vrij krap zijn, en zo betrouwbaar is die knie nu ook weer niet. Ik rijd nog een klein stukje om, alvorens ik de oversteek maak naar eindbestemming Argelès.



Totaalafstand van deze elfdaagse: 1493 kilometer.



In m'n eigen achtertuin




Terug naar startpagina